Verblijfs-co-ouderschap: de objectieve (tegen)indicaties voor een gelijkmatig verdeeld verblijf
25
jan

Verblijfs-co-ouderschap: de objectieve (tegen)indicaties voor een gelijkmatig verdeeld verblijf

Met de invoering van de wet van 18 juli 2006 beoogde de wetgever een referentiemodel aan te bieden als leidraad voor de rechtbanken. Hierbij werd het gelijkmatig verdeeld verblijf geopperd als zijnde de verblijfsregeling die steeds “bij voorrang” dient te worden onderzocht. Hoewel deze regeling in eerste instantie enthousiast werd onthaald, lijkt het aantal critici aan terrein te winnen. Voornaamste aanleiding daartoe is het resultaat van een onderzoek gevoerd door KU Leuven waaruit blijkt dat een gelijkmatig verdeeld verblijf niet per definitie positief is voor het kind.

De wetgever is vooralsnog niet ingegaan op de herhaalde suggestie om de bewoording “bij voorrang” uit artikel 374 § 2, 2e lid Burgerlijk Wetboek te schrappen. Het is onder meer om deze reden dat de rechtbanken in de prakijk een belangrijke rol toegemeten krijgen. Doorheen de praktijk ontstonden er criteria, gekend als objectieve (tegen)indicaties, aan de hand waarvan de rechtbank nagaat of een gelijkmatig verdeeld verblijf al dan niet aangewezen is. De volgende criteria kunnen in die zin weerhouden worden als de voornaamste pijlpunten:

  • De leeftijd van het kind;
  • De bestaande verblijfsregeling;
  • De opvoedingscapaciteiten van beide ouders;
  • De beschikbaarheid van beide ouders;
  • De geografische afstand tussen beide ouders;
  • De communicatie tussen ouders.

Het belang van het kind vormt in deze steeds de rode draad. Zo hebben kinderen zowel behoefte aan continuïteit als aan stabiliteit. De rechter dient aldus steeds van geval tot geval te oordelen. Alleszins dient men er waakzaam voor te zijn dat de natuurlijk loyaliteit van de kinderen naar beide ouders toe niet wordt misbruikt. Zonder de kinderen voor een doorslaggevende keuze te stellen bestaat er een mogelijkheid dat zij gehoord worden door de rechtbank. Kinderen die de volle leeftijd van 12 jaar hebben bereikt worden daartoe uitgenodigd door de rechtbank. Kinderen jonger dan 12 jaar kunnen eveneens gehoord worden. Het verzoek daartoe dient desgevallend uit te gaan van ofwel de ouders, de rechter, het openbaar ministerie of vanuit de minderjarige zelf. Behalve in de laatste twee gevallen kan de rechter weigeren om het kind jonger dan 12 jaar te horen.

Het vinden van een geschikte verblijfsregeling betreft aldus een evenwichtsoefening tussen de belangen van de onderscheiden ouders en het belang van het kind, hetgeen steeds primeert. Vermits de rechter over een ruime beoordelingsmarge beschikt is een verblijfsregeling afhankelijk van situatie tot situatie. De door de wetgever gecreëerde “voorrang” voor het gelijkmatig verdeeld verblijf biedt alleszins geen garantie op de effectieve toekenning ervan.