De aansprakelijkheid van ouders en hun minderjarige kinderen
22
mei

De aansprakelijkheid van ouders en hun minderjarige kinderen

Aansprakelijkheid van de ouders

 

Op basis van art. 1384 lid 2 BW zijn de vader en de moeder aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen.

 

Art. 1384 lid 2 BW is enkel van toepassing op de ouders en de adoptieouders van de minderjarige. De grootouders, de pleegouders, de stiefouders, de voogd, etc. kunnen niet kwalitatief aansprakelijk gesteld worden op grond van art. 1384 lid 2 BW voor de fouten van minderjarigen die onder hun toezicht staan. Zij kunnen uiteraard wel persoonlijk aansprakelijk gesteld worden op grond van art. 1382-1383 BW indien zij zelf een fout begaan die in oorzakelijk verband staat met de ingeroepen schade (bv. een fout in het toezicht).

 

Van zodra de minderjarige een objectieve onrechtmatigheid begaat, waardoor schade aan derden wordt veroorzaakt, worden de ouders op grond van art. 1384 lid 2 BW vermoed aansprakelijk te zijn voor de veroorzaakte schade.

 

De ouders kunnen het aansprakelijkheidsvermoeden evenwel weerleggen door aan te tonen dat zij geen fout hebben begaan, en dit noch in de opvoeding van het minderjarig kind, noch in het toezicht over het minderjarig kind. Het aansprakelijkheidsvermoeden kan daarnaast eveneens weerlegd worden op het niveau van het oorzakelijk verband door aan te tonen dat de schade zich ook zonder de vermoede fout zou hebben voorgedaan.

 

Wat het tegenbewijs van een goede opvoeding betreft wordt vereist dat de ouders concrete elementen bijbrengen die wijzen op een goede opvoeding. Dit wordt in de rechtspraak nogal streng beoordeeld. Het feit dat de minderjarige goede studieresultaten behaalt is bijvoorbeeld niet voldoende. Op dit punt zullen vaak de persoonlijke opvattingen van de rechter doorwegen over wat een goede opvoeding precies inhoudt.

 

Wat het tegenbewijs van het behoorlijk toezicht betreft moeten de ouders bewijzen dat zij voldoende toezicht over de minderjarige hebben uitgeoefend om de schadeverwekkende daad te vermijden. In dat kader wordt over het algemeen aangenomen dat de minderjarige, naarmate hij ouder wordt, steeds minder een effectief toezicht behoeft. Volledigheidshalve dient opgemerkt dat de ouders, indien zij op het moment van het schadeverwekkend feit geen materieel toezicht konden uitoefenen, nog steeds een fout kunnen begaan door bijvoorbeeld het toezicht toe te vertrouwen aan een persoon die daartoe niet geschikt is. Wanneer de minderjarige daarentegen op het ogenblik van de schadeverwekkende gebeurtenis onder toezicht staat van een leerkracht, van een werkgever of van een jeugdleider, wordt dit over het algemeen wél als een voldoende tegenbewijs beschouwd.

 

Aansprakelijkheid van de minderjarige zelf

 

Naast de ouder(s) kan ook de minderjarige zelf op basis van art. 1382-1383 BW aansprakelijk worden gesteld voor de schade die hij heeft veroorzaakt, doch enkel voor zover hij schuldbekwaam is, en de onrechtmatige gedraging hem toerekenbaar is.

 

Dit houdt in dat de minderjarige zich van de draagwijdte en de gevolgen van zijn daden bewust is en zijn daden in bedwang kan houden (schuldbekwaam), en dat hij niet louter gedreven wordt door een vreemde oorzaak (toerekenbaar).

 

Concreet zal een minderjarige als schuldbekwaam worden beschouwd indien hij “de jaren des onderscheids” heeft bereikt, en aldus over het nodige onderscheidingsvermogen beschikt. De “jaren des onderscheids” is een feitelijk begrip waarover de feitenrechter soeverein oordeelt. In dat kader wordt de leeftijd van zeven jaar gewoonlijk als richtlijn gebruikt. De schuldbekwaamheid van de minderjarige is echter niet aan een vaste leeftijdsgrens onderworpen. Naast de leeftijd brengt de rechter in zijn oordeel immers vaak nog andere elementen in rekening, zoals de fysieke en intellectuele ontwikkeling van de minderjarige, zijn opvoeding, het milieu waarin hij opgroeit en de aard van de schadeverwekkende gedraging.

 

Samenloop van aansprakelijkheid

 

Volledigheidshalve dient opgemerkt dat niet alleen de ouders en de minderjarige zelf aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade veroorzaakt door de minderjarige.

 

Zo kan in voorkomend geval ook de werkgever aansprakelijk worden gesteld voor de schade door zijn (minderjarige) werknemer veroorzaakt in de bediening waartoe hij hem gebezigd heeft (art. 1384 lid 3 BW), en kan de onderwijzer aansprakelijk worden gesteld voor de schade door zijn (minderjarige) leerling veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder zijn toezicht staat (art. 1384 lid 4 BW).

 

Er is dus perfect samenloop mogelijk van de kwalitatieve aansprakelijkheid van ouders met deze van onderwijzers (art. 1384 lid 4 BW), en werkgevers (art. 1384 lid 3 BW) of met de persoonlijke aansprakelijkheid van de al dan niet kwalitatief aansprakelijken zelf, of van andere personen onder wiens toezicht de minderjarige op het moment van de schadeverwekkende gebeurtenissen staat, zoals jeugdleiders (art. 1382-1383 BW).

 

De (kwalitatief) aansprakelijken zijn in dergelijk geval in solidum gehouden jegens het slachtoffer. Dit heeft tot gevolg dat het slachtoffer zich voor de volledige schadevergoeding kan richten tot een van de aansprakelijken. Degene die de volledige schadevergoeding heeft betaald kan dan vervolgens, in de mate dat hij meer heeft betaald dan zijn aandeel in de totale schuld, het te veel betaalde terugvorderen van de overige aansprakelijken.

 

Op basis van art. 1384 lid 2 BW worden de vader en de moeder vermoed aansprakelijk te zijn voor de schade veroorzaakt door hun minderjarig kind, doch zij kunnen dit vermoeden weerleggen door aan te tonen dat zij geen fout hebben begaan, en dit noch in de opvoeding van het minderjarig kind, noch in het toezicht over het minderjarig kind. Naast de ouder(s) kan ook de minderjarige zelf aansprakelijk worden gesteld voor de schade die hij heeft veroorzaakt voor zover hij schuldbekwaam is (i.e. “jaren des onderscheids” bereikt heeft), en de onrechtmatige gedraging hem toerekenbaar is.

Er weze tot slot aan herinnerd dat er samenloop mogelijk is van de kwalitatieve aansprakelijkheid van ouders met deze van onderwijzers (art. 1384 lid 4 BW), en werkgevers (art. 1384 lid 3 BW) of met de persoonlijke aansprakelijkheid van de al dan niet kwalitatief aansprakelijken zelf, of van andere personen onder wiens toezicht de minderjarige op het moment van de schadeverwekkende gebeurtenissen staat, zoals jeugdleiders (art. 1382-1383 BW).