De verkrijgende verjaring van een recht van overgang en een recht van uitweg?
21
apr

De verkrijgende verjaring van een recht van overgang en een recht van uitweg?

1. Kan een erfdienstbaarheid verkregen worden door dertigjarig gebruik?

Alvorens dieper in te gaan op de vraag of een recht van uitweg dan wel een recht van overgang kan worden verkregen door dertigjarige verkrijgende verjaring staan we eerst stil bij de verkrijgende verjaring van erfdienstbaarheden in het algemeen.

Een (private) erfdienstbaarheid is een last die op een erf wordt gelegd tot gebruik en tot nut van een erf dat aan een andere eigenaar toebehoort. Om van een erfdienstbaarheid te kunnen spreken dient er sprake te zijn van twee onderscheiden onroerende goederen, toebehorend aan twee onderscheiden eigenaars en waarbij het ene erf ten dienste staat van het andere.

Enkel voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden kunnen door verkrijgende verjaring ontstaan. De termijn bedraagt in beginsel 30 jaar, maar kan worden verkort tot 20 of 10 jaar.

Voortdurend zijn deze erfdienstbaarheden waarvan het gebruik voortdurend is of kan zijn zonder dat daartoe telkens een daad van de mens vereist is. Voorbeelden zijn: een bouwverbod, de wettelijke afstanden voor licht en uitzichten, beplantingen, recht van dakdrop.

Om zichtbaar te zijn moet het uitwendig teken voor een normaal zorgvuldig en vooruitziende derde, waarneembaar zijn vanaf het lijdende erf . Het is evenwel niet vereist dat het teken zich op het lijdende erf zelf bevindt, het kan zich ook op het heersend erf of zelfs op een ander perceel bevinden. De overschrijving in de hypothecaire registers verleent aan een erfdienstbaarheid geen zichtbaar karakter.

 

2. Hoe zit het nu met een recht van overgang (servitude) en een recht van uitweg?

Een recht van overgang is een conventioneel recht om over andermans perceel te rijden of te gaan, binnen de grenzen van de conventionele titel.

Een recht van uitweg is een erfdienstbaarheid die wettelijk is verankerd. Een uitweg kan voor de (vrede)rechter worden gevorderd door de eigenaar of gebruiker wiens perceel ingesloten is bij gebrek aan (voldoende) toegang tot de openbare weg, dit voor het normale gebruik van zijn eigendom overeenkomstig de bestemming.

Zowel een recht van overgang als een recht van uitweg zijn niet-voortdurende, al dan niet zichtbare erfdienstbaarheden. Het gevolg is dat noch een recht van overgang noch een recht van uitweg in principe kunnen worden verkregen door een dertigjarig gebruik.

Nochtans leidt onze casus tot een onrechtvaardig aangevoelde situatie, X die al jaren feitelijk een overgang heeft over het perceel van Y wordt plotsklaps ontzegd om nog verder gebruik te maken van deze overgang.

In de praktijk kan echter op twee manieren worden gepoogd om aan de niet-verjaarbaarheid van deze overgang te ontkomen:

1. Een beroep doen op het begrip “buurtweg”. De gedachte van X zou dan kunnen zijn, dat indien hij voor zichzelf geen privaat recht van overgang heeft verkregen, een dergelijk recht wel voor het geheel van de inwoners van de gemeente zou kunnen zijn ontstaan. Elke particuliere belanghebbende heeft immers voldoende belang om de erkenning van een buurtweg in rechte te vorderen.

Een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van overgang is immers wel vatbaar voor verkrijgende verjaring. Vereist is wel dat er een publiek gebruik is van de weg.

De enkele inschrijving in de Atlas der Buurtwegen volstaat niet om het statuut van buurtweg te krijgen. Bijkomend is vereist dat er verkrijgende verjaring ten voordele van het “publiek” is ingetreden.

Door de inschrijving in de Atlas der Buurtwegen is de verkorte verjaringstermijn van tien/twintig jaar van toepassing. Indien binnen de tien of twintig jaar geen eigendoms- of bezitsvorderingen werden ingesteld of de verjaring niet anderszins werd gestuit, verkrijgt de weg het karakter van buurtweg.

Zelfs zonder inschrijving in de Atlas der Buurtwegen kan door verkrijgende verjaring een openbare erfdienstbaarheid ten voordele van het publiek ontstaan. In dit geval is wel een verjaringstermijn van 30 jaar vereist.

Aangezien het recht van overgang niet voor verkrijgende verjaring vatbaar is wordt in de praktijk vaak beroep gedaan op de rechtsfiguur van een buurtweg.

2. Een andere manier is het aanvoeren dat er sprake is van een losweg (“exploitatieweg”).

Een losweg komt slechts tot stand indien eigenaars van een grondstuk die geen rechtstreekse uitweg hebben naar de openbare weg, wederzijds overeenkomen om een strook grond in gemeenschap te brengen tot gemeenschappelijk gebruik van hen allen.

Aangezien het om een vorm van gedwongen mede-eigendom gaat, is een losweg vatbaar voor verkrijgende verjaring indien de aangelanden minstens dertig jaar als dusdanig gehandeld hebben.

Tenslotte dient nog een kantmelding te worden gemaakt met betrekking tot ingesloten percelen. Niets belet dat een recht van uitweg wordt gevorderd voor de rechtbank indien het perceel van X ingesloten is en aldus niet toegankelijk is vanaf de openbare weg, zelfs wanneer het perceel van X reeds meer dan dertig jaar is ingesloten geweest.

 

Conclusie

Terugkomend op onze casus dienen we vast te stellen dat op basis van het jarenlange gebruik door X geen recht van overgang of recht van uitweg zal ontstaan. Dit belet echter niet dat, in geval van ingeslotenheid, nog steeds een recht van uitweg kan worden gevorderd voor de rechtbank. Indien het perceel van X niet ingesloten is zal X zich in onze casus echter niet kunnen beroepen op de rechtsfiguur van een losweg aangezien X enkel en alleen een strook grond van Y gebruikt en er geen mede-eigendom is ontstaan. Indien de weg daarentegen eveneens door het brede publiek wordt gebruikt dan kan X trachten aan te tonen dat een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van overgang is ontstaan dewelke wel voor verkrijgende verjaring in aanmerking komt.

Een beoordeling geval per geval is aldus steeds noodzakelijk.